Het leven in de 19de eeuw
Poręba Wielka rond 1850–1900
Stel je Poręba Wielka voor rond 1880.
Er waren geen verharde wegen zoals wij die kennen. Het dorp strekte zich langgerekt uit over de berghellingen, met verspreide houten woningen, schuren, hooibergen, kleine akkers en weilanden. De Gorce vormden letterlijk de achtergrond van het dagelijkse leven.
De huidige dorpsgrenzen bestonden natuurlijk nog niet zoals vandaag. Het landschap werd vooral bepaald door:
- landbouwgrond;
- weilanden;
- beekdalen;
- bossen;
- houtkap;
- kleine boerderijen;
- grotere landgoederen;
- ambachtelijke werkplaatsen;
- en de wegen en paden naar Niedźwiedź, Rabka en de omliggende dorpen.
Poręba was bovendien een centrum van hout- en metaal/glasnijverheid. De lokale geschiedenis vermeldt expliciet dat het dorp vroeger een centrum van hout- en huttenindustrie was.
1. Het belangrijkste verschil: niet iedereen leefde hetzelfde
De samenleving was sterk verdeeld.
Je had grofweg:
🏰 Het landgoed
Bovenaan stond de eigenaar van het landgoed met zijn familie en personeel.
Dat betekende:
- het dwor/landhuis;
- landbouwgrond;
- bossen;
- weilanden;
- personeel;
- pachters;
- arbeiders;
- paarden en vee;
- opslagplaatsen;
- schuren;
- werkplaatsen.
Daar werkten mensen uit het dorp.
Daarnaast waren er waarschijnlijk opzichters, knechten, koetsiers, houtarbeiders, meiden en andere werknemers.
🌾 De boeren
De meeste inwoners waren boeren.
Maar "boer" betekende niet noodzakelijk een grote boerderij.
Veel gezinnen hadden slechts kleine stukken land en moesten hun inkomen aanvullen met:
- houtbewerking;
- werken in het bos;
- transport;
- seizoensarbeid;
- ambacht;
- vee;
- handel.
Na 1848 veranderde hun positie fundamenteel doordat de lijfeigenschap/pachtverplichtingen werden afgeschaft en boeren meer zelfstandigheid kregen. De Galicische landbouw bleef echter arm en kleinschalig.
2. Een huis in Poręba
Een gewone woning was meestal eenvoudig.
Denk aan een houten huis met:
- een kleine woonruimte;
- een haard of kachel;
- houten banken;
- een tafel;
- bedden of slaapplaatsen;
- kisten;
- houten keukengerei;
- spinnewiel;
- landbouwgereedschap.
Een gezin leefde vaak dicht bij elkaar.
De keuken was niet alleen een plaats om te koken. Het was het hart van het huis.
Daar werd:
- gegeten;
- gewerkt;
- gesponnen;
- kleding gerepareerd;
- verteld;
- en 's avonds bij het vuur gezeten.
In de collectie van het Władysław Orkan-museum in Poręba Wielka bevinden zich nog steeds onder andere 19de-eeuws houten keukengerei, spinnewielen en werktuigen voor de verwerking van vlas. Dat geeft ons een bijzonder mooie inkijk in het dagelijkse leven van de streek.
3. Wat aten ze?
Het eten was heel eenvoudig.
Voor een arme boerenfamilie waren de belangrijkste voedingsmiddelen:
aardappelen – brood – kool – erwten – bonen – granen.
Vlees was veel minder vanzelfsprekend.
Een historische beschrijving van het Galicische boerenleven vermeldt dat brood en aardappelen de basis vormden, aangevuld met kool, erwten en bonen. Vlees kwam vooral bij feestdagen op tafel.
Je kunt je dus een gewone maaltijd voorstellen als:
aardappelen + kool + wat melk of kaas + brood.
Op feestdagen veranderde dat natuurlijk.
Dan kwamen er:
- vlees;
- worst;
- eieren;
- gebak;
- betere broden;
- alcoholische dranken.
4. Landbouw
Landbouw was de basis van het bestaan.
Maar Poręba was geen ideaal landbouwgebied.
Je zit hier in bergachtig terrein.
De percelen waren vaak klein en versnipperd. Daardoor was landbouwarbeid zwaar.
Men verbouwde onder andere:
- aardappelen;
- haver;
- gerst;
- rogge;
- tarwe waar de omstandigheden dat toelieten;
- kool;
- voedergewassen.
Na 1848 kwamen geleidelijk nieuwe landbouwmethoden en gewassen op. In Galicië werden aardappelen, voedergewassen en wortelgewassen belangrijker en nam ook de veeteelt toe.
Dieren
Een gezin kon bijvoorbeeld beschikken over:
- een koe;
- varkens;
- kippen;
- geiten;
- enkele schapen;
- soms een paard.
Een koe was enorm belangrijk.
Ze leverde:
melk → boter → kaas → voedsel voor het gezin.
Een paard was eveneens waardevol, maar voor een arm gezin vaak moeilijk te betalen.
5. Het bos was bijna een tweede landbouwgrond
Dit is voor Poręba Wielka bijzonder belangrijk.
De naam Poręba heeft juist verband met het kappen/ontginnen van bos.
En in de 19de eeuw bleef het bos economisch enorm belangrijk.
Men haalde er:
- brandhout;
- timmerhout;
- planken;
- balken;
- schors;
- takken;
- strooisel;
- bessen;
- paddenstoelen;
- wilde planten.
Maar hout betekende ook werk.
Er waren:
🌲 Houthakkers
Zij velden bomen met:
- bijl;
- zaag;
- wiggen.
🪚 Zagers
Hout werd tot planken verwerkt.
🪵 Timmerlieden
Zij maakten:
- huizen;
- schuren;
- deuren;
- ramen;
- meubels;
- karren;
- gereedschappen.
🪑 Houtbewerkers
Zij maakten allerlei gebruiksvoorwerpen.
De houtnijverheid was in deze streek zo belangrijk dat de gemeentelijke geschiedenis Poręba expliciet als een oud centrum van de industrie van hout en metallurgie beschrijft.
6. De glasindustrie
En dit sluit heel mooi aan bij waar we eerder over gesproken hebben.
Poręba Wielka had namelijk een glasindustrie.
Historische gegevens over de omgeving vermelden dat hier een grote glasfabriek werd opgericht en na verschillende verplaatsingen uiteindelijk hoger in het gebied terechtkwam.
Dat betekende dat Poręba niet uitsluitend een landbouwdorp was.
Er waren mensen die:
- glas maakten;
- ovens stookten;
- hout leverden;
- grondstoffen transporteerden;
- glasproducten vervoerden;
- gereedschappen maakten;
- gebouwen en ovens onderhielden.
Een glasoven had enorme hoeveelheden brandstof nodig.
En daarmee zie je hoe alles met elkaar verbonden was:
bos → hout → brandstof → glasoven → glas → transport → handel.
7. Smid
Een van de belangrijkste mensen in een dorp was de kowal – de smid.
Zijn werk was onmisbaar.
Hij maakte of repareerde:
- hoefijzers;
- messen;
- bijlen;
- ploegscharen;
- haken;
- scharnieren;
- metalen beslag;
- gereedschap.
Iedere boer had hem vroeg of laat nodig.
Een smid werkte bij een gloeiende vuurhaard met:
🔥 kolen/houtskool
🔨 hamer
⚒️ aambeeld
💨 blaasbalg
Dat moet een indrukwekkend geluid geweest zijn in het dorp.
KLANG – KLANG – KLANG
8. Wagenmakers en timmerlieden
Transport was essentieel.
Een wagen was niet alleen een vervoermiddel.
Hij bracht:
- hooi;
- hout;
- graan;
- aardappelen;
- melk;
- goederen;
- mensen.
Daarom waren wagenmakers en houtbewerkers belangrijke ambachtslieden.
Een houten boerenwagen bestond vrijwel volledig uit lokaal hout, maar had metalen onderdelen die door de smid gemaakt werden.
Ook hier weer:
bos → timmerman → smid → boer.
9. Kuipers
Er waren ook bednarze – kuipers.
Zij maakten houten vaten.
Voor:
- zuivel;
- graan;
- vlees;
- zuurkool;
- drank;
- andere voedingsmiddelen.
De traditionele ambachten in de omliggende Karpaten omvatten onder andere kuiperij, houtbewerking, smederij, schoenmakerij, kleermakerij en leerbewerking. Het regionale museum heeft hier uitgebreid etnografisch onderzoek naar gedaan.
10. Kleermakers, schoenmakers en bontwerkers
Kleding werd veel minder vaak gekocht dan tegenwoordig.
Veel werd thuis gemaakt.
Vrouwen konden:
- vlas verwerken;
- spinnen;
- weven;
- naaien;
- kleding herstellen.
Daarbij bestonden gespecialiseerde ambachten.
Bijvoorbeeld:
krawiec – kleermaker
szewc – schoenmaker
kuśnierz – bontwerker
rymarz – leerbewerker/zadelmaker.
Interessant genoeg noemt het regionale etnografische onderzoek zelfs een kuśnierz uit Poręba Wielka, Józef Napora. Dat is geen bewijs dat hij al in de 19de eeuw werkte, maar het laat wel zien hoe sterk dit traditionele ambacht met Poręba verbonden was.
11. Vlas
Een belangrijk onderdeel van het boerenleven was vlas.
De vrouw van het gezin kon vlas verwerken tot draad.
Daarvoor gebruikte men onder andere:
- vlasbraak;
- hekel;
- spinnewiel;
- weefgetouw.
Uit vlas kwamen:
vezel → draad → doek → kleding/linnengoed.
Dat betekende dat een deel van de kledingproductie gewoon thuis gebeurde.
Het spinnewiel was dus geen decoratie.
Het was een belangrijk huishoudelijk werktuig.
12. De vrouwen hadden een enorme hoeveelheid werk
Het dagelijkse leven van een vrouw was bijzonder zwaar.
Een vrouw kon op één dag:
🌅 vroeg opstaan
🔥 vuur maken
🥛 koe melken
🍞 eten klaarmaken
🐔 dieren verzorgen
👶 kinderen verzorgen
🧺 wassen
🧵 spinnen
🌾 helpen op het land
🥔 aardappelen verwerken
🍲 avondeten maken
🧹 huis schoonmaken
En daarna begon de volgende dag opnieuw.
Ook kinderen hielpen mee.
13. Kinderen
Een kind had in die tijd veel sneller verantwoordelijkheden dan vandaag.
Een jongen kon vanaf jonge leeftijd helpen met:
- vee;
- hout;
- land;
- transport;
- maaien;
- oogsten.
Meisjes hielpen vaak met:
- jongere kinderen;
- dieren;
- water halen;
- koken;
- spinnen;
- wassen;
- huishouden.
Dat betekende niet dat kinderen geen jeugd hadden.
Ze speelden ook.
Maar hun wereld was veel sterker verbonden met het werk van het gezin.
14. School
Onderwijs bestond wel degelijk.
In de bredere streek bestonden al veel eerder parochiescholen. De bronnen over Niedźwiedź vermelden bijvoorbeeld een parochieschool vanaf de 17de eeuw. In de 19de eeuw werden elementaire dorpsscholen een steeds belangrijker onderdeel van het landelijke leven.
Een kind kon daar leren:
- lezen;
- schrijven;
- rekenen;
- godsdienst;
- basiskennis.
Maar schoolbezoek betekende niet noodzakelijk dat kinderen dagelijks naar school gingen zoals nu. Werk op de boerderij en seizoensarbeid bleven belangrijk.
15. De kerk
De kerk was veel meer dan een plaats waar men op zondag naartoe ging.
Ze vormde het centrum van het sociale leven.
Daar gebeurden:
- doop;
- huwelijk;
- begrafenis;
- feestdagen;
- processies;
- religieuze bijeenkomsten.
De kalender van het dorp werd grotendeels bepaald door de kerkelijke kalender.
Kerstmis, Pasen, Pinksteren, Allerheiligen enzovoort waren belangrijke momenten.
16. De karczma – de dorpsherberg
En dan was er de karczma.
Dat was eigenlijk een soort combinatie van:
café + herberg + ontmoetingsplaats + handelsplaats.
Daar kwamen boeren, arbeiders, reizigers en ambachtslieden.
Men:
- dronk;
- praatte;
- onderhandelde;
- hoorde nieuws;
- maakte afspraken;
- vierde feesten.
Historische studies over Galicische dorpen noemen de karczma en de kerk expliciet als belangrijke centra van het dorpsleven.
17. Een normale werkdag
Ik kan je zelfs een vrij realistisch beeld geven.
🌅 04:30–05:30
De eerste mensen staan op.
In de winter is het nog donker.
Vuur aanmaken.
Dieren verzorgen.
Melken.
🌄 06:00
Ontbijt.
Waarschijnlijk eenvoudig:
brood, aardappelen, melk, kaas of pap.
🌾 06:30–12:00
Werk.
Afhankelijk van het seizoen:
- ploegen;
- zaaien;
- maaien;
- hout hakken;
- vee verzorgen;
- oogsten.
🍲 Middag
Eten.
Geen uitgebreide lunch zoals wij die kennen.
Daarna opnieuw werken.
🌳 Namiddag
Hout halen, land bewerken, vee verzorgen of ambachtelijk werk.
🌅 Avond
Dieren verzorgen.
Water halen.
Eten.
🌙 Daarna
Binnen bij het vuur.
Vrouwen spinnen.
Mannen repareren gereedschap.
Kinderen luisteren naar gesprekken.
Verhalen worden verteld.
En dan:
slapen.
18. De winter was totaal anders
De winter in de Gorce was hard.
Sneeuw kon het dorp wekenlang sterk isoleren.
Landbouw lag grotendeels stil.
Maar dat betekende niet dat men niets deed.
De winter was juist de periode voor:
- houtbewerking;
- reparaties;
- spinnen;
- weven;
- kleding maken;
- gereedschap repareren;
- manden maken;
- wagenonderhoud;
- ambacht.
De zomer was vooral:
buiten werken.
De winter:
binnen produceren en herstellen.
19. Hoe arm waren de mensen?
Dat is een belangrijk punt.
Galicië was in de 19de eeuw één van de armste gebieden van het Habsburgse rijk.
De landbouw was sterk versnipperd en veel gezinnen hadden maar weinig grond. De afschaffing van de oude boerenverplichtingen in 1848 verbeterde hun juridische positie, maar maakte hen niet plots rijk.
Voor een gezin in Poręba betekende dat vaak:
zelfvoorziening + klein beetje handel + seizoenarbeid.
Een slechte oogst kon daarom grote gevolgen hebben.
20. Maar Poręba had een voordeel: het bos
Hier zat een belangrijk verschil met sommige andere Galicische dorpen.
Poręba had toegang tot enorme bosgebieden.
Dat betekende mogelijkheden voor:
- houthakken;
- zagerijwerk;
- transport;
- houtbewerking;
- bouw;
- brandstof;
- industriële activiteit.
Daarom ontwikkelde Poręba zich tot een dorp waar landbouw en bosnijverheid naast elkaar bestonden.
21. De komst van de moderne tijd
Vanaf ongeveer 1880–1900 begon de wereld langzaam te veranderen.
Je kreeg:
- betere wegen;
- meer handel;
- betere landbouwgereedschappen;
- grotere mobiliteit;
- scholen;
- meer contacten met steden;
- emigratie;
- nieuwe politieke ideeën;
- kranten;
- modernere landbouw.
Maar voor een boerengezin in Poręba veranderde het leven niet van de ene dag op de andere.
Rond 1900 kon je nog steeds een huis vinden waarin het dagelijks leven qua ritme sterk leek op dat van tientallen jaren eerder.
22. En dan komt Władysław Orkan
Dat maakt Poręba Wielka extra bijzonder.
Władysław Orkan werd hier in 1875 geboren.
Zijn latere werk is daarom enorm interessant voor iemand die wil begrijpen hoe de bevolking van de Gorce leefde.
Hij kende het leven van de bergbewoners niet uit boeken.
Hij groeide er zelf in op.
Zijn verhalen geven ons daardoor een soort literaire momentopname van het leven in de Gorczaanse dorpen.
De huidige Orkanówka bewaart bovendien etnografische voorwerpen die precies aansluiten bij het dagelijks leven dat we hierboven beschreven hebben.
🏡 Als we in 1885 door Poręba zouden wandelen...
Ik denk dat het ongeveer zo zou voelen:
Je loopt over een onverharde weg.
Aan beide kanten houten huizen.
Bij een huis staat een koe.
Verderop hoor je een bijl.
KLOK... KLOK... KLOK...
Een man splijt hout.
Bij een andere woning zit een vrouw buiten vlas te verwerken.
Kinderen lopen achter een paar kippen aan.
Verderop komt een paard met een houten wagen de weg af.
Je ruikt rook uit de schoorstenen.
In de verte hoor je water van een beek.
Boven het dorp liggen donkere bossen.
En ergens verderop stijgt rook op uit een werkplaats of oven.
Bij de smid klinkt:
KLANG!
En tegen de avond gaan mensen richting de kerk of de karczma.
Dat is waarschijnlijk veel dichter bij de werkelijkheid van Poręba rond 1880 dan het romantische beeld van een "rustig bergdorp".
Het was vooral een zwaar werkende gemeenschap waarin vrijwel alles lokaal geproduceerd, gerepareerd of hergebruikt werd.