Emarik Blog

Kom hier regelmatig kijken op nieuwe blogs of abonneer je
3 minuten leestijd (592 woorden)

Toam Hain, de Lichtbreker

Duizenden jaren geleden, toen de hemel nog niet grijs was van fabrieksrook maar zwart van de vleugels van de Oude Nacht, werd een gewone man uit een gewone wereld getrokken. Hij heette Thomas, een postbode met een vriendelijke glimlach en handen die gewend waren aan enveloppen in plaats van spreuken. Maar de kosmos had andere plannen.

Op een regenachtige dinsdagavond in 199-ongeveer scheurde een barst in de realiteit open, precies voor zijn brievenbus. Er kwamen geen pakketjes meer uit… alleen gegrom, en ogen die gloeiden als gesmolten lava. De Schaduwgebroed waren ontwaakt – wezens geboren uit vergeten nachtmerries, hongerig naar elke vonk licht en hoop die de wereld nog kende.

Thomas had geen keuze. Hij stapte door de scheur, en wat hij aan de andere kant vond was geen sprookjesbos, maar een slagveld van eeuwige storm. Bliksem ketsten als zwaarden, wolken bloedden vuur. En in het midden stond hijzelf… maar niet zoals hij zichzelf kende.

De kosmos had zijn gezicht genomen als anker, zijn goedheid als brandstof, en er een wapen van gemaakt.

Jaren werden eeuwen. Hij leerde de taal van de sterren, de grammatica van donder, de grammatica van afscheid. Hij noemde zichzelf niet meer Thomas. De wezens die hem vreesden noemden hem Toam Hain, de Lichtbreker. Degenen die hij redde noemden hem gewoon… de Man die glimlacht na de Apocalyps.

Nu, op deze laatste avond van de wereld, staat hij weer op een richel van obsidiaan, zijn geruite hemd gescheurd maar nog altijd trots om zijn schouders. Voor hem rijzen de laatste drie Nachtvorsten op – kolossen van tand en duisternis, hun muilen wijd open om het laatste restje daglicht op te slokken.

Hij heft zijn hand.

Geen toverstaf. Geen rune-bekrachtigde staf. Alleen een open palm, trillend van vermoeidheid en vastberadenheid.

„Kom maar," zegt hij zacht, bijna vriendelijk, zoals hij ooit tegen een kind zei dat zijn verloren pup zocht. „Ik ben het zat om te rennen."

Dan barst het los.

Geen keurige vuurbal, geen nette lichtstraal. Nee. Het is alles tegelijk: de woede van een vader wiens kinderen bedreigd worden, de tederheid van een man die nog steeds brieven schrijft in zijn hoofd, de pure, rauwe energie van iemand die weigert op te geven. Bliksem ter grootte van rivieren explodeert uit zijn handpalm, goud-oranje en witheet, als een tweede zon die besluit dat de nacht lang genoeg heeft geduurd.

De Nachtvorsten schreeuwen – een geluid dat bergen splijt – maar ze kunnen niet weg. De bliksem bindt ze, brandt ze, herinnert ze eraan dat duisternis alleen bestaat bij de gratie van licht dat weigert te doven.

Als het voorbij is, staat Toam Hain nog overeind. Ademend. Glimlachend, zelfs nu zijn baard grijs is en zijn ogen moe.

Achter hem breekt de storm eindelijk open. Een straal maanlicht – echt maanlicht, niet de zieke namaak van de Schaduwgebroed – valt over het slagveld.

Hij kijkt ernaar, veegt wat roet van zijn wang en mompelt:

„Enfin… dat was weer een dinsdag."

Dan draait hij zich om, loopt naar de rand van de afgrond, en fluistert tegen niemand in het bijzonder:

„Als iemand mijn post nog heeft… zeg maar dat ik onderweg ben."

En met een laatste, vermoeide flits van magie stapt hij door een nieuwe scheur – terug naar waar hij ooit begon. Misschien om eindelijk die ene brief te bezorgen die al millennia te laat is.

Want zelfs de grootste wizard ter wereld blijft op de eerste plaats… een postbode met een goed hart.

Einde. 

×
Blijf op de hoogte

Als je je abonneert op de blog, sturen we je een e-mail zodra er nieuwe updates op de site verschijnen, zodat je ze niet mist.

Klein Duimpje en de Grote Frietrevolutie
De drie zusters

Door te accepteren dat je toegang krijgt tot een dienst van een derde externe partij https://emarik.pl/