Er was eens een gammele schuit genaamd De Natte Baard, bemand door de meest onhandige bende piraten die de Cariben ooit hadden getolereerd. Kapitein Rode Baard (die eigenlijk gewoon een rode baard had, maar verder niets roods) voer met zijn mannen voornamelijk rond omdat ze verdwaald waren sinds 1687 en het gênant vonden om Google Maps te vragen.

Op een ochtend, terwijl de bemanning ruzie stond te maken over wie de laatste droge beschuit had opgegeten, sloeg er iets groots en glinsterends tegen de boeg.

„Vis!" riep Kromme Karel, die altijd alles als eten beschouwde.

„Nee, dat is een vrouw!" riep Piet de Stotter.

„Dat is géén vrouw, dat is een vis-vrouw!" verbeterde Scheve Sjors.

En inderdaad: daar lag een zeemeermin half over de boeg te hijgen. Groene staart, schelpen-bh die duidelijk twee maten te klein was, en een gezicht dat zei: "Ik haat jullie allemaal al."

De piraten staarden haar aan alsof ze een cheatcode hadden gevonden in het echte leven.

„Wat doen we nou met d'r?" vroeg de kapitein.

„Schatkaart in d'r hoofd misschien?" opperde Kromme Karel hoopvol.

„Ze kan zingen en dan verdrinken we onszelf!" zei Piet de Stotter enthousiast.

„Of we verkopen haar aan een circus!" riep iemand.

„Circussen bestaan nog niet in 1687, sukkel," bromde de kapitein.

De zeemeermin rolde met haar ogen zo hard dat je het kon horen.

„Hallo? Ik versta jullie heus wel. En ik heet Lyría. En ik wil terug in het water. Nu."

De piraten keken elkaar aan. Dit was nieuw. Meestal praatten de dingen die ze vonden niet terug.

„Maar… je bent een mythisch wezen," zei Scheve Sjors plechtig. „Dat is bijna net zo waardevol als een gouden doubloon."

„Ik ben geen ding, ik ben een persoon-met-staart," snauwde Lyría. „En als jullie me niet snel teruggooien ga ik zingen tot jullie oren bloeden en dan verdrinken jullie in je eigen domme tranen."

Er viel een stilte.

Toen fluisterde Kromme Karel: „Misschien… kunnen we d'r vragen of ze een schat weet?"

Lyría zuchtte zo diep dat er belletjes uit haar neus kwamen.

„Oké. Luister goed, want ik zeg dit maar één keer. Er ligt drie mijl naar het oosten een Spaans galjoen op de bodem. Vol met emeralden. Maar het wrak wordt bewaakt door een reuzeninktvis die ik toevallig ken. Hij heet Gustavo en hij is vegetariër, maar hij heeft een hekel aan piraten met slechte manieren."

De piraten keken elkaar stralend aan. Dit was de beste vangst ooit.

„Dus als we je terugzetten in zee…" begon de kapitein.

„…dan zwem ik vooruit en zeg ik tegen Gustavo dat jullie mijn neven zijn uit het noorden en dat hij jullie moet laten graaien," maakte Lyría de zin af. „Maar alleen als jullie zweren dat jullie nooit meer een zeemeermin vangen. En dat jullie die vieze rumvlekken op je hemd wassen. Bah."

De piraten keken naar hun hemden. Ze keken naar elkaar. Ze keken naar de kapitein.

„Afgesproken," zei Rode Baard plechtig, en hij stak zijn pink uit.

Lyría keek naar die smerige, eeltige pink, zuchtte nog dieper, maar haakte er toen toch haar kleine vinger omheen.

Ze tilden haar voorzichtig over de reling (Karel liet haar bijna vallen omdat hij per se een selfie wilde maken met zijn verbeelding). Met een sierlijke duik verdween ze.

Twee uur later vonden ze inderdaad het wrak. Gustavo stak één tentakel op als groet, keek de piraten vorsend aan, mompelde „Lyría zei dat jullie mogen" en ging verder met zeewier kauwen.

De mannen laadden drie kisten vol smaragden. Ze waren rijk. Ze waren gelukkig. Ze waren… eigenlijk best aardig geworden.

Een week later, ergens bij zonsondergang, gooide de kapitein een krat rum overboord als offergave.

„Voor Lyría!" riep hij.

Vanuit de diepte klonk een heldere lach, gevolgd door een lied dat zo mooi was dat zelfs de zeemeeuwen stil vielen.

En de Natte Baard voer verder, iets minder nat, iets minder dom, en voor het eerst in eeuwen met een heel klein beetje fatsoen aan boord.

Want soms, heel soms, leert zelfs de domste piraat dat de beste schat niet van goud is…

…maar van iemand gewoon fatsoenlijk behandelen, ook al heeft ze een staart en een attitude.

Einde.