Het was een hete middag in de late zomer van 1887 toen Lady Eleanor Eastwood het stoffige plaatsje Red Hollow binnenreed. Ze zat kaarsrecht in het zadel van haar bruine merrie Shadow, een cadeau van haar overleden echtgenoot, met haar donkerblauwe rijkostuum strak om haar heen gesnoerd en een hoed met brede rand die haar gezicht half verborg voor de genadeloze zon.

Red Hollow was zo'n typisch westerndorp: één hoofdstraat met een saloon, een smid, een kleine bank, een kerkje dat meer op een schuur leek, en een handvol houten huizen die kreunden in de wind. De mensen keken op toen ze voorbijreed – niet alleen omdat er zelden een vrouw alleen te paard arriveerde, maar vooral omdat Lady Eastwood er niet uitzag als iemand die hier thuishoorde. Ze was van Engelse adel, weduwe geworden na een noodlottig duel in San Francisco, en nu op doorreis naar de kust, op zoek naar een schip terug naar Europa.

Ze bond Shadow vast voor de saloon en stapte naar binnen. Hoeden werden afgenomen, gesprekken stierven weg. Ze bestelde een glas water – geen whiskey – en vroeg kalm of er iemand was die paarden kon beslaan en een kamer kon verhuren voor één nacht.

De sheriff, een man met een hangsnor genaamd Harlan Crowe, kwam naar haar toe. "Mevrouw," zei hij, "u bent hier niet veilig. Er is vannacht een bende door de vallei getrokken. Ze noemen zich de Black Spurs. Ze hebben al twee ranches leeggeroofd en ze schijnen op zoek te zijn naar... nou ja, naar mensen met geld."

Lady Eastwood glimlachte dunnetjes. "Ik heb weinig meer dan mijn paard en mijn naam, sheriff. Maar ik dank u voor de waarschuwing."

Die avond at ze in haar gehuurde kamer boven de saloon een bord bonen en cornbread. Ze hoorde de mannen beneden lachen, kaarten, en over haar praten. Rond middernacht klonken er hoeven buiten – veel hoeven.

Ze stond op, trok haar laarzen aan, gespte haar holster om (een klein, elegant pistool dat ooit van haar man was geweest) en keek door het raam. Zes ruiters met zwarte zakdoeken voor hun gezicht reden de hoofdstraat in. Ze schoten in de lucht, joegen paarden schichtig weg en schreeuwden dat iedereen naar buiten moest komen.

De Black Spurs waren gekomen.

Lady Eastwood wachtte niet af. Ze glipte via de achtertrap naar beneden, sloop naar de stal en zadelde Shadow in het donker. Buiten hoorde ze geschreeuw, glasgerinkel, en toen een vrouwenkreet – de dochter van de saloonhouder werd naar buiten gesleurd.

Ze kon wegrijden. Niemand zou het haar kwalijk nemen. Ze was een vreemdeling, een vrouw alleen. Maar iets in haar – misschien de trots van de Eastwoods, misschien gewoon woede – hield haar tegen.

Ze leidde Shadow stilletjes naar de zijkant van het dorp, bond haar vast achter een schuur en kroop terug. In de schaduw zag ze hoe de leider van de bende, een lange kerel met een litteken over zijn oog, de saloonhouder bij zijn keel greep en eiste waar "de Engelse lady" was gebleven. Ze wilden haar juwelen, haar geld, en waarschijnlijk erger.

Lady Eastwood stapte het maanlicht in.

"Hier ben ik," zei ze rustig.

Zes paar ogen draaiden naar haar toe. De leider lachte. "Kijk eens aan. Een echte dame."

Ze hief haar hand met het pistool. "Laat dat meisje los. En verlaat dit dorp. Dan hoeven jullie niet te sterven vannacht."

Ze lachten harder.

Het eerste schot kwam van de leider. De kogel sloeg vlak naast haar in de grond. Lady Eastwood vuurde terug – één keer, precies. De man greep naar zijn borst en viel.

Chaos brak los.

Ze rende zigzaggend naar Shadow, sprong in het zadel terwijl kogels langs haar floten. Een kogel schampte haar schouder, maar ze voelde het amper. Shadow galoppeerde de hoofdstraat uit, dwars door de bende heen. Lady Eastwood boog laag over de hals van haar paard, vuurde over haar schouder en raakte nog een tweede man.

Achter haar hoorde ze geschreeuw, paarden die steigerden, de sheriff en een paar dappere dorpelingen die eindelijk hun geweren pakten.

Ze reed door tot de horizon grijs werd van de ochtendschemering. Pas toen stopte ze, keek om. Red Hollow lag klein en stil in de verte, rook kringelde omhoog van een paar kapotgeschoten lantaarns, maar het dorp stond er nog.

Haar schouder bloedde, haar hoed was weg, haar jurk gescheurd. Maar Shadow was ongedeerd, en zij leefde.

Lady Eastwood spoorde haar merrie zachtjes aan. Ze keek niet meer om. Ergens verderop lag de zee, een schip, en misschien – heel misschien – een nieuw begin.

En zo verdween ze, net zo plotseling als ze gekomen was, een schaduw op een bruin paard tegen de rode ochtendlucht van het westen.