Dag één aan boord van het International Space Station begon veelbelovend. Ik zwaaide professioneel naar de aarde, alsof ze mij persoonlijk had uitgewuifd. "Rustig maar," zei ik plechtig, "ik hou het hier wel even in de gaten."

Het eerste wat me opviel? Alles zweeft. Werkelijk alles. Mijn pen, mijn notitieboek… en helaas ook mijn waardigheid.

Ontbijt in de ruimte klinkt romantisch, tot je beseft dat confituur geen respect heeft voor zwaartekracht. Ik opende voorzichtig mijn lunchpakket. Slechte zet.
Mijn boterham besloot zelfstandig astronaut te worden en zweefde richting ventilatiesysteem.

"Houston, we have a sandwich problem."

Drie minuten later dreef ik achter mijn ontbijt aan als een elegante walvis in slow motion. Uiteindelijk ving ik hem met een theedoek. Overwinning smaakt nog beter op 400 kilometer hoogte.

Elke dag moet je trainen, want anders veranderen je spieren in pudding. Dus daar hing ik, vastgesjord aan een loopband, terwijl ik zogezegd "liep".
Lopen zonder vloer blijft een vreemd concept.

Een collega-astronaut zweefde voorbij en zei droog:
"Mooi tempo."
Waarop ik antwoordde:
"Ik loop persoonlijk een marathon rond de aarde. Elke 90 minuten een rondje."

Want ja, elke anderhalf uur zie je een zonsopgang én zonsondergang. Op een bepaald moment wist ik niet meer of ik "goedemorgen" of "slaapwel" moest zeggen. Ik heb het opgelost met:
"Algemeen kosmisch hallo."

's Avonds zweefde ik naar het koepelraam. Onder mij draaide de aarde rustig verder. Oceanen, wolken, lichtjes van steden… alles leek zo vredig.

Ik tikte zachtjes tegen het raam en fluisterde:
"Doe het daar beneden een beetje rustig. Ik ben even boven toezicht aan het houden."

En daar hing ik dan. Geen verkeer, geen files, geen gras maaien. Alleen stilte, sterren en een man die zijn boterham eindelijk had teruggewonnen.

Conclusie van mijn verblijf?
De ruimte is indrukwekkend. Gewichtloosheid is hilarisch.

En boterhammen… die moet je nooit onderschatten.