De stof dwarrelde nog op toen de drie zussen hun paarden inhielden bij de vervallen welkomstboog van Red Hollow. Tien jaar geleden was het bord nog fris geverfd geweest. Nu hingen de letters scheef, half weggevreten door wind en zon, net als de rest van het stadje.
Eleanor (31), de oudste, zat kaarsrecht in het zadel. Haar ogen hadden dezelfde kleur als het staal van de Colt die ze links op haar heup droeg – koud, onbuigzaam. Ze had in die tien jaar leren schieten in Dodge City, leren drinken in Abilene, en leren haten in stilte.
Maris (28), de middelste, hield haar hoed laag over haar gezicht. Ze had nog steeds die nerveuze gewoonte om met haar duim over het litteken op haar pols te wrijven – het enige fysieke spoor dat de nacht van de brand had achtergelaten. Ze was boekhouder geworden in een stoffig kantoor in Santa Fe, maar haar vingers jeukten nog altijd naar een geweer in plaats van een ganzenveer.
Lydia (24), de jongste, keek met openlijke honger naar het stadje. Ze droeg een veel te dure rode jurk onder een stoffige duster, haar lippen geverfd als een saloonmeisje uit New Orleans. Ze was de enige van de drie die in die tien jaar had geprobeerd te vergeten. Totdat ze een krantenknipsel vond over een overval in Red Hollow waarbij dezelfde initialen op de zadeltassen stonden: V.K. – Victor Kane, de man die hun ouders had laten branden.
Ze stegen af bij de oude pomp op het plein. Niemand kwam naar buiten kijken. Deuren bleven dicht. Alleen een oude coyotehond tilde zijn kop op, gromde één keer en ging weer liggen.
"Ze weten dat we er zijn," mompelde Maris.
"Goed," zei Eleanor. "Dan hoeven we ons niet voor te stellen."
Ze liepen naar de begraafplaats achter de methodistenkerk. Drie graven naast elkaar, simpele kruisen van cederhout, inmiddels grijs en kromgetrokken. Op het middelste stond nog net leesbaar:
Thomas & Abigail McCall
Vermoord 14 februari 1876
Rust in vrede
Lydia knielde, haalde een klein flesje whiskey uit haar zak en goot een scheut over het graf van haar moeder. "Jullie kregen geen fatsoenlijke begrafenis. Wij ook niet. Maar we zijn terug."
Een stem achter hen, schor en droog als het landschap:
"Had niet gedacht jullie ooit nog levend terug te zien."
Sheriff Amos Tate leunde tegen het kerkhek. Hij was grijs geworden, maar zijn ogen waren nog scherp. Tien jaar geleden was hij degene geweest die de smeulende resten van de ranch had doorzocht en had gezegd: "Er is niets meer te redden, meisjes. Ga maar weg."
Eleanor draaide zich langzaam om. "We zijn niet gekomen om te redden, Amos. We zijn gekomen om af te rekenen."
Hij zuchtte, spuugde tabakssap in het stof. "Victor Kane is al drie jaar dood. Keel doorgesneden in een saloon in Tucson. Zijn broer Cal Kane runt nu de bende. Zeventien man sterk. Ze houden zich schuil in de Black Mesa, komen alleen naar beneden als ze geld ruiken of wraak willen ruiken."
Maris kneep haar ogen samen. "En de stad laat ze begaan?"
"De stad laat alles begaan," zei Tate bitter. "De mijn is uitgeput, de spoorweg komt nooit, de bank is half failliet. Iedereen die kon, is vertrokken. Wie overbleef… die leert zwijgen."
Lydia stond op, veegde haar handen af aan haar jurk. "Dan leren wij ze weer praten."
Die nacht zaten ze rond een klein kampvuur in de droge bedding van de oude Red Creek, net buiten het zicht van het stadje. Ze spreidden een oude, vergeelde kaart uit – de ranch, de oude veeroutes, de grotten in de Mesa.
"Cal Kane was erbij die nacht," zei Eleanor zacht. "Hij hield pa's armen vast terwijl Victor ma… " Ze stopte. Sommige zinnen hoef je niet af te maken.
Maris keek naar de sterren. "We kunnen niet gewoon naar binnen rijden en ze neerschieten. Ze hebben gijzelaars. Ze hebben het stadje in hun greep. We moeten ze uit hun hol lokken."
Lydia glimlachte, kil en scherp. "Of we lokken hén naar ons toe."
Ze vertelde haar plan. Het was riskant. Het was wreed. Het paste perfect bij wat ze in tien jaar hadden geleerd: dat wraak geen rechtvaardigheid is, maar wel de enige taal die sommige mannen nog verstaan.
De volgende morgen reden drie vrouwen Red Hollow binnen, maar nu met een ander doel. Eleanor ging naar de saloon en vroeg luid om werk als kaartspeler. Maris liep de bank binnen en vroeg naar de boeken van de laatste drie jaar – "voor een investeerder uit het oosten". Lydia trok haar rode jurk recht, liep naar de stalhouderij en vroeg met een glimlach waar een meisje een paar sterke paarden en een discrete wagen kon huren… en oh ja, of iemand wist waar Cal Kane tegenwoordig zijn plezier zocht.
Tegen de avond wist heel Red Hollow dat de McCall-zussen terug waren.
En ergens in de Black Mesa hoorde Cal Kane het gerucht.
Hij lachte. "Drie meisjes," zei hij tegen zijn mannen. "Drie verdomde meisjes denken dat ze ons komen halen."
Hij vergiste zich.
This browser does not support the video element.
Lydia stond op de veranda van de gesloten hoedenwinkel, leunend tegen een paal, een parasol in haar hand die ze nooit openklapte. Ze droeg nog steeds die rode jurk, maar nu met een schouderholster zichtbaar onder de open duster. Ze glimlachte naar de naderende ruiters alsof ze klanten waren die te laat kwamen voor de thee.
Cal Kane hield zijn paard in voor de saloon. Hij spuugde in het stof, keek naar links, naar rechts.
"Waar is de rest van het welkomstcomité?" riep hij hard genoeg om het halve plein te laten horen.
Eleanor draaide zich niet om. Ze sloeg de laatste kaart om – de schoppen aas – en zei kalm: "Binnen. Kom maar halen."
Cal lachte kort, keek over zijn schouder naar zijn mannen. "Hoor je dat, jongens? Ze nodigt ons uit."
Twee van hen sprongen van hun paard, duwden de klapdeuren open en stapten naar binnen. Ze zagen alleen Eleanor, alleen het tafeltje, alleen de kaarten.
"Sta op, schatje," zei de grootste van de twee, een kerel met een litteken dat van zijn oogkas tot zijn mondhoek liep. "We willen even praten."
Eleanor zuchtte, alsof ze een vermoeiende klant had. "Jullie baas wil praten. Jullie zijn alleen maar het meubilair."
De man met het litteken greep naar zijn revolver.
Op dat moment klonk er een droge krak vanaf het dak van de smederij.
De man met het litteken zakte door zijn knieën alsof iemand de touwtjes had doorgeknipt. Een rood gat ter grootte van een duimnagel zat precies tussen zijn ogen. De ander draaide zich om, maar voordat hij zijn wapen kon heffen, klonk er een tweede schot – zachter, scherper, van dichterbij. Lydia's kleine Derringer, twee schoten in de borst. De man viel achterover de saloon in, dwars over een tafel, glas en kaarten overal.
Buiten ontstond chaos.
Cal Kane brulde: "Naar binnen! Naar binnen, verdomme!"
Maar Maris had al het volgende doelwit gekozen. Een derde schot, dit keer door de schouder van de man die Cale's paard vasthield. Het dier steigerde, Cale verloor bijna zijn evenwicht.
Eleanor stond op. Langzaam. Ze liep naar de klapdeuren, duwde ze open met haar schouder en stapte het bordes op. In haar rechterhand de Colt, in haar linker een tweede, kleiner pistool dat ze onder de bar vandaan had gehaald.
"Calvin Kane," zei ze, hard en duidelijk. "Jij was erbij. Jij hield mijn vader vast terwijl je broer mijn moeder… " Ze maakte de zin niet af. Sommige dingen zeg je maar één keer.
Cal trok zijn eigen wapen, maar aarzelde. Er was iets in haar ogen dat hem een fractie van een seconde langer liet kijken dan verstandig was.
Lydia stapte van de veranda af, liep recht op de groep af, parasol nog steeds in haar hand. "Zestien tegen drie," zei ze met een glimlach. "Dat lijkt me niet eerlijk. Zullen we het wat gelijker maken?"
Ze liet de parasol vallen. Er zat een zaagmes in de steel verborgen. Met een snelle beweging sneed ze de singel van de dichtstbijzijnde ruiter door. Zadel en man gleden tegelijk van het paard.
Toen pas barstte de hel los.
Schoten knalden van alle kanten. Maris schoot vanaf het dak, methodisch, één kogel per man, nooit twee. Eleanor bewoog als iemand die al duizend saloongevechten in haar hoofd had geoefend – laag, rollend, schietend vanuit de heup. Lydia danste bijna tussen de paarden door, klein, snel, dodelijk met mes en pistool.
Maar de bende vocht terug. Een kogel schampte Eleanors bovenarm, een andere sloeg een splinter uit de paal naast Lydia's hoofd. Ze bloedden alle drie al binnen de eerste minuut.
En toen gebeurde het.
Een van de mannen – jong, amper twintig, met een gezicht dat nog niet helemaal hard was geworden – liet zijn wapen zakken. Hij keek naar Cal, toen naar de zussen, toen weer naar Cal.
"Ik doe dit niet," zei hij, stem trillend maar vast. "Dit is… dit is geen oorlog. Dit is moord."
Cal draaide zich razendsnel om. "Jij laffe—"
Hij kreeg de kans niet. Maris' volgende kogel trof hem in de borst, net boven het hart. Cal wankelde, keek verbaasd naar het bloed op zijn vest, en zakte toen op zijn knieën in het stof.
De overgebleven mannen aarzelden. De jongen die had geweigerd, gooide zijn revolver weg en stak zijn handen omhoog. Drie anderen volgden zijn voorbeeld. De rest probeerde te vluchten.
Maris schoot er nog twee neer voordat ze de rand van het plein bereikten.
Toen was het stil.
Alleen het hijgen van paarden, het kreunen van gewonden, en het zachte tikken van bloed dat op de planken van de veranda druppelde.
Eleanor liep naar Cal toe. Hij leefde nog, maar niet lang meer. Ze hurkte naast hem.
"Zeg het," zei ze.
Cal hoestte bloed. "Wat… wil je horen?"
"Dat het je spijt."
Hij lachte zwak, gorgelend. "Het spijt me… dat we jullie niet allemaal hebben afgemaakt."
Eleanor knikte, alsof ze niets anders had verwacht. Ze richtte de Colt op zijn voorhoofd.
"Nee," zei Lydia plotseling. Ze stond naast haar zus, trillend, maar met heldere ogen. "Laat hem leven. Laat hem zien wat er overblijft als je alles afpakt."
Eleanor keek haar jongste zus lang aan. Toen liet ze de hamer zakken.
Ze stonden op.
De overlevenden van de bende zaten op hun knieën in het stof, handen achter het hoofd. De jongen die nee had gezegd, keek hen aan met iets dat op dankbaarheid leek.
Sheriff Tate kwam eindelijk het kantoor uit. Hij had de hele tijd staan kijken vanaf de overkant van het plein, shotgun in zijn handen, maar zonder te schieten.
"Is het klaar?" vroeg hij schor.
Eleanor veegde bloed van haar wang – niet haar eigen. "Voor nu."
Ze keek naar de graven op de heuvel, toen naar het stadje, toen naar haar zussen.
"Red Hollow," zei ze zacht, "heeft nog steeds drie inwoners te weinig."
Lydia glimlachte voor het eerst die dag echt. "Dan blijven we."
Maris keek naar de horizon, naar de Mesa die nu weer stil was.
"Voorlopig," zei ze.
En ergens in de verte begon een coyote te huilen, alsof het land zelf eindelijk adem durfde te halen.